**Lucas**
Rond een uur of zes maakte ze me wakker. “Luuk.” Was alles wat ze zei. Haar gezicht vertrokken in pijn. Ze pufte. Dit was dus een wee. Ik wist even niet wat ik moest doen. Toen de tweede na tien minuten al kwam, ging de automatische piloot aan.
“Kom, we gaan naar het ziekenhuis,” zei ik haar overeind helpend. Bij de voordeur braken haar vliezen. “We moeten opschieten, kom op.”
Ik zette haar in de auto en begon te rijden. Ik moet te snel gereden hebben omdat ik ergens zelf te nerveus was. Onderweg belde ik mijn ouders, mijn broertje en Peter. Na een stressvolle rit kwamen we eindelijk bij het ziekenhuis aan.
Ik hielp haar uit de auto. “Rustig nou, Lucas!” beet ze me zachtjes toe. Maar voor we het ziekenhuis in gingen, greep ze mijn arm beet om een wee op te vangen. “Het zijn maar wee?n,” zei ze. Ik kon niet rustig worden.
In de hal van het ziekenhuis was het druk. Bij de balie stonden een paar mensen in een rij die mij veel te rustig verliep. “Ze heeft wee?n!” riep ik in milde paniek. “Help ons nou.” Sophia legde haar hand op die van mij. “Rustig nou maar, Lucas,” zei ze. Maar ik kon niet kalmeren.
“Goedemorgen, kan ik u helpen?” zei de baliebediende. Toen ik antwoord wilde geven, greep Sophia me weer beet. “Ik zie het al,” zei de bediende en drukte op een knopje. Binnen een paar seconden kwam er een verpleegster met een rolstoel aanlopen.
“Kom maar zitten,” zei de verpleegster. Ze was in mijn beleving veel te rustig. Sophia pakte mijn hand terwijl de verpleegkundige ons naar de kraamafdeling bracht. Ze werd op een bed geholpen door de verpleegster, met diezelfde rust.
“De dokter komt zo bij u kijken,” zei ze en vertrok. Ik ging naast haar zitten. Elke paar minuten pufte ze weer een wee weg. Ik voelde me compleet machteloos. Ik kon bijna niets doen. De pijn kon ik niet wegnemen. Ik kon alleen voor haar zijn en haar zo comfortabel mogelijk maken.
De ruimte stonk naar desinfectiemiddel. En hij was steriel wit. Met bedden in de hoeken en gordijnen aan het plafond. Ik hoorde haar weer een wee wegpuffen. “Ik ga wat te drinken voor je halen,” zei ik haar door zweetvochtige haren strelend.
Ik liep de hal in om iets lekkerders voor haar te halen dan water. Zodra ik de hal in liep, keek ik in de nieuwsgierige ogen van mijn familie. “En?” vroeg mijn moeder. Ik zei niets, ik liep naar de drinkautomaat en haalde wat voor haar.
“Is er iets, jongen?” vroeg mijn moeder die naast de automaat kwam staan. “Ik kan niets, mam. Ze gaat door helse pijnen maar ik kan niets.” Ze legde haar hand op mijn schouder. “Dat is niet waar. Je kunt er voor haar zijn. Laten zien dat je er bent. Dat is heel krachtig.”
“Ik kan alleen maar drinken halen. Haar hand pakken en tegen haar praten, mam. Ik kan de pijn niet wegnemen.” Mijn moeder knikte. “Het is moeilijk, jongen, ik weet het. Maar die dingen voor haar doen helpt haar al hé. Kom op, jongen, nog even volhouden.”
Love this novel? Read it on Royal Road to ensure the author gets credit.
Ik knikte en liep weer naar de verloskamer. Intussen was de arts er. Voor mijn gevoel eindelijk. “Ah, de vader,” zei hij glimlachend en doodkalm. Dit frustreerde me. Mijn grote liefde ging door helse pijnen. En hij kon rustig blijven.
“Nou, 10 cm. Het zal niet lang meer duren,” zei hij en glimlachte vriendelijk. “Ik ga even een korte ronde doen en dan ben ik zo terug,” zei hij. De verpleegster die ons hierheen had geleid kwam weer binnen. Ze ging op een lege stoel zitten.
Na een paar minuten kwam er weer een wee. Ineens stond de verpleegster op en razendsnel stond ze naast Sophia. “Oké, dit is een perswee. Meneer, ondersteun haar. Ik ben binnen een minuut terug,” zei ze. Het was overweldigend. Ik ging naast haar zitten en pakte haar hand. Ik wist niet wat ik anders kon doen.
Na een paar seconden ging de deur open en de arts en de verpleegkundige kwamen binnen. “Wat sneller dan gedacht,” zei de arts glimlachend. Hij ging bij haar benen zitten. “Bij de volgende wee mag je meepersen,” zei de arts.
Sophia knikte. En maar een paar seconden later stokte haar ademhaling even en dook ze naar voren met haar bovenlijf. “Goed zo, mevrouw De Witte, persen!” riep de arts. Na een paar seconden viel ze terug tegen de kussens.
Ik kreeg van de verpleegster een washandje. “Maak het haar wat gemakkelijker,” zei ze vriendelijk. Ik begreep niet hoe dat ook maar kon. Maar ik waste haar voorhoofd. Ze keek me aan met een glimlach. Een minuutje later schoot ze weer naar voren. De verpleegster kwam aan de andere kant dichterbij staan. “Ja, goed zo, blijven persen,” zei ze. Dit herhaalde zich drie keer. “Ja, rust maar even uit,” zei de vrouw.
Sophia viel weer zwaar ademend terug. Weer maakte ik haar voorhoofd schoon. Ze keek me zwaar ademend weer even aan. “Ze doet het geweldig hoor,” zei de arts. “Ik zie het hoofdje. Ik denk nog een of twee keer flink persen.”
Sophia knikte en leek nog even rust te nemen. Een minuutje later begon ze weer met persen. Weer moedigde de verpleegster haar aan. Nog een keer viel ze terug in de kussens. Ze leek met de minuut uitgeputter te worden. Nog geen minuut later begon ze weer met persen.
Hierna viel ze weer terug de kussens in. Ze leek een seconde of drie opgelucht. De verpleegster had mijn baby vast. Ik hoorde nog geen gehuil, de vrouw leek mijn kindje te controleren. Maar ineens ging alles mis. De lakens liepen vol bloed. Sophia werd krijtwit. Haar ogen draaiden weg. “Bloeding!” riep de arts. En hij drukte op een knop. “Sophia!” riep ik. De paniek bouwde in mijn borst. Een stel verpleegkundigen kwamen binnen rennen. De arts riep nog wat. En daarna werd ik naar de gang geduwd.
Ik moet enorm geschreeuwd hebben. “LUCAS!” hoorde ik mijn moeder ineens roepen. “Rustig nou!” Ik keek haar aan. “Rustig aan, jongen, wat is er?” Ik keek wild om me heen. “Lucas!” riep mijn moeder. “Bloed. Overal bloed. Baby huilde niet,” wist ik uit te brengen.
“Is er iets met de baby?” vroeg mijn moeder. Ik schudde mijn hoofd. Ik wist het niet meer. “Luuk, kijk me eens aan,” hoorde ik Jonas zeggen. “Probeer rustig te worden. Wat er ook is, iedereen is in goede handen.” Hij duwde me op een stoel. “Je hebt iedereen nu een beetje van slag. Vertel eens rustig wat er is,” zei hij.
Ik probeerde adem te halen. “Goed zo.” Mijn moeder knielde bij me neer. “Wat is er nou helemaal aan de hand?” vroeg ze rustig. “Alles leek goed te gaan. De baby is er. Ik hoor niets. En toen ik terugkeek om te vragen of de baby in orde was, het hele bed onder het bloed en Sophia zakt weg. Arts gilt. En ineens sta ik op de gang.” Ik keek mijn moeder aan. “Straks ben ik ze allebei kwijt,” zei ik. Ik voelde tranen over mijn wangen stromen. Werd mijn grootste angst nu werkelijkheid?

